70e Arkprijs van het Vrije Woord voor Jozef Deleu

Op 3 oktober 2020 ontving Jozef Deleu de Arkprijs van het Vrije Woord. Op deze pagina vindt u:

  • Het persbericht van het Arkcomité
  • Enkele foto’s van de uitreiking
  • De lofrede van Lukas De Vos
  • De toespraak van Hugo De Greef
  • De toespraak van Yves T’Sjoen
  • Het dankwoord van Jozef Deleu

PERSBERICHT

Jozef Deleu ontving op zaterdag 3 oktober 2020 de 70e Arkprijs van het Vrije Woord te Beersel
Op 3 oktober ontving Jozef Deleu de 70e Arkprijs van het Vrije Woord. De plechtigheid vond plaats te Beersel, bij het huis van Herman Teirlinck. De vzw Het huis van Herman Teirlinck neemt de fakkel over van Galerie De Zwarte Panter te Antwerpen, die jarenlang instond voor de uitreiking van de prijs. Teirlinck richtte de prijs op in 1951, om te verhinderen dat ideologische bekrompenheid de vrijheid van meningsuiting en denken zou inperken. Hij wil die personen voor het voetlicht brengen die zich actief inzetten voor de vrijheid van denken. Uit het juryverslag: “Wars van alle politieke beïnvloeding en autoritair populisme bevordert, verdedigt en verspreidt Deleu al ruim zestig jaar taal en cultuur van de Lage Landen. Zijn verdiensten op het vlak van taal en cultuur zijn ongeëvenaard. Als zoon van een genaturaliseerde Fransman is hij de grondlegger van intense grensoverschreidende samenerking met Nederland. Zelf publiceerde hij novellen, dichtbundels, bloemlezingen, romans, lyrisch proza, essays en redevoeringen. Deleu heeft altijd de ontvoogdende en sociale ideeën van August Vermeylen in de praktijk gebracht, de man die mede aan de basis lag van van het Nieuw Vlaams Tijdschrift, samen met Herman Teirlinck, die de Arkprijs in het leven riep.” Lukas De Vos, journalist, medestichter en erevoorzitter van het Arkcomité hield de lofrede. Jozef Deleu nam de symbolische prijs in ontvangst met de woorden: “Vrijmoedigheid en ongebondenheid liggen me nauw aan het hart. Ze zijn belangrijker dan ooit.” (Info: Sigrid Bousset, Arkcomité, 0476 41 88 97)

LOFREDE Lukas De Vos

HET NIEUWE GEUZENDOM – Lofrede voor Jozef Deleu, Arkprijswinnaar 2020, door Lukas De Vos.
“Verscheidenheid siert de mens. Niet bescheidenheid. Bescheidenheid verzandt meestal in gekamoefleerde gevoelens van miskenning of in zelfbeklag. De Arkprijswinnaar van 2020, Jozef Deleu, Markies van Rekkem, heeft altijd lak gehad aan de Vlaamse erfzonde: niet over de grenzen durven te zien. Zich afsluiten om alleen met gelijkdenkenden, of beter, gelijkhandelenden een samengeklitte klomp gestolde lava te vormen. Die vasthoudt aan een kanon. Die niet zonder bevelen of dril kan leven.
Jozef Deleu is niet wars van een vloeibare identiteit. Hij beseft beter dan wie ook dat je de retorische kracht van de taal nooit in handen moet laten van radikale nationalisten, voor wie het status quo eeuwigheidswaarde heeft, voor wie de natiestaat een doel op zich is en liefst in een versteende vorm. Dat geldt evengoed voor de Verenigde Staten als voor Europa, even goed voor België als voor Vlaanderen. Een samenleving, dames en heren, zal altijd meer moeten zijn dan dat. Meer is: een kibbelterrein, maar niet over de schone ogen en de dikke portefeuille omdat wij alles zelf beter doen – overigens een prachtige slogan en dus ook een werkzame leugen – maar omdat zonder openbaar debat geen waarheden naast elkaar kunnen bestaan.
Als dus de Antwerpse, niet-verkozen goeverneuse Cathy Berx oreert dat de mens maar één recht heeft en dat is leven, dan toont zij de ware leugen van ons bestel. Schijnheiligheid als mombakkes voor autoritair gezag. Ik had nog kunnen instemmen met “het recht op wáárdig leven”, want daarin zit de onlosmakelijke voorwaarde ingebakken: het recht op vrijheid. Het recht op tegenspraak. U bent hier dus op de goede plek, bij een Arkkomitee dat nu al zeventig jaar de vrijheid predikt, zonder er een afgod van te maken. Vrijheid van denken, vrijheid van spreken, vrijheid van bewegen, vrijheid van vergaderen, vrijheid van leven – dat is waarvoor Jozef Deleu al zijn hele, korte leven symbool mag staan.
Het zal u opvallen in het boekje dat u straks gegeven wordt, dat de ondertitel Deleus hele programma bevat: Alles Voor Vrijheid, Volksverheffing, Vrijmoedigheid, Kritiek. U herkent dat akroniem: AVV-VVK. Het wáre AVV-VVK, dat van de Fronters ja, van Herman Van den Reeck, Paul Van Ostaijen, Christine d’Haen, de vredesbeweging, de sociale rechtvaardigheid, rechtsgelijkheid, broederlijkheid en ontvoogding.
Zoals Viktor Brunclair schreef, die net als Jef Van Extergem zou verdwijnen in Nacht und Nebel van het massagraf of de verbrandingsoven: “een cosmopolitisme dat niet tot op het merg doordrongen is met de levenssappen van het nationalisme vergaat onvermijdelijk aan beenderziekte” – je kunt en moet nationalisme dan ook in zijn emanciperende betekenis begrijpen: samenwerking, taalliefde, eenheid in verscheidenheid. Gedragen, zoals Brunclair betoogt, door “sociaal aktivisme”.
Dat is het wat August Vermeylen bepleitte, met wie Deleu een onverbrekelijke intellektuele én maatschappijgerichte band onderhoudt. Met zijn werk althans. Vermeylen die de grenzen van de Vlaamse achteruitstelling wou verbreken om de Vlaming deel te laten nemen aan de internationale kultuur – niet om die te bespuwen, of neerbuigend naar eigen aard te dwingen. Nee, en ik citeer even uit “De Taak”, de basistekst waarop de bevrijdende beweging die ook aanleiding zou geven tot de Ark zich steunt: “De rede drijft naar het uiteindelijke doel, dat ten slotte ven etische aard is: een ieder de mogelijkheid te geven, zover zijn natuur het toelaat, een ‘mens ‘ te zijn in de volledigste en edelste betekenis. De mens die Diogenes met zijn lampje zocht”. Met die beginselverklaring stichtte Herman Teirlinck het Nieuw Vlaams Tijdschrift en in 1950 de Arkprijs van het Vrije Woord.
Jozef Deleu is een Diogenes. Niet een man die verkrampt in een tonnetje gaat liggen, wel de man die zonder omwegen koning, keizer, admiraal en captains of industry wijst op de écht waardevolle, essentiële dingen: ga uit mijn zon. Aleksander de Grote had meteen begrepen hoe klein de veroveraar was, hoe onbenullig in de baaierd van het dagelijks bestaan.
Deleu is een toonbeeld van de Frans-West-Vlaamse koppigheid. Hij stapte af van alle romantisch gebral, en ging metikuleus te werk als een wetenschapper. Luisde bij nijveraars en bakkers, neringdoenden en banken geld af voor de goede zaak – die hij alléén invulde, zonder inspraak van de geldschieters. Hij nam geen blad voor de mond, vertelde de heren Mecenas (dames waren er amper bij) dat zij wel hun poen mochten betalen, maar niet zijn doen zouden bepalen.
Paul Goossens heeft decennia gedubd over een uitspraak van Jozef Deleu: “Want wij herdenken met luister onze nederlagen”. Wij, dat is het Vlaanderen van vandaag, het nurkse blasé Vlaanderen vol zelfmedelijden, dat prat gaat op zijn afzijdigheid die voor wijsheid wordt gehouden, en op zijn inertie die voor slimheid doorgaat.
“Deleu”, schrijft Goossens, “wil een geschiedenis van de nederlagen”, “een geschiedenis van het kollektief falen zonder wapengekletter” – daar gaan ze, de Guldensporenslag en de Pevelenberg. Wat Deleu wil lezen is het verhaal “over de teloorgang van het schijnbaar overbodige, het kwetsbaar moois, en het vergooien van onaangeboord talent. Allemaal verstikt en vertrappeld in het geweld van de kommercie, ‘breaking news’ en hitsige soundbytes”. U herkent het: de coronakrisis, de regeringsvorming, de mondkapjes, de begroting, de elfendertigste onderwijshervorming. Tot meerdere eer en glorie van wie ?
Jozef Deleu, in plaats van dat met lede ogen aan te zien, roept inderdaad op tot een nieuwe beeldenstorm. Ce ne sont que des gueux, maar wel boze kleine luiden die een omwenteling kunnen afdwingen. De nieuwe geuzen zijn wat Deleu zelf is: kultuurflaminganten. Niet de Vlaams-nationalisten of de neo-Belgicisten. In een net verschenen interview met Jozef dat Carl De Strycker van het Poëziecentrum in Neerlandia publiceerde, stelt Deleu het op scherp.
Wat zeggen die identitairen van het zweepnationalisme ? “De dag dat wij aan de macht komen zullen taal en kultuur in Vlaanderen worden gekoesterd”. Deleu, droog: “Ik merk daar weinig van”. Het is ook geen toeval dat net een behoeder van de dichtkunst dat gesprek had: Deleu weet, “alles van waarde is weerloos”, maar legt zich daar niet bij neer. Zijn laatste grote wapenfeit, na zijn levenslange inzet voor demokratisering en taalpatriottisme, is ook de kroon op het werk. Het Liegend Konijn, zowat de mooiste, uitdijende en rijkste verzameling poëzie van het Nederlandstalig gebied.
Want zoals de net aangehaalde dichter Lucebert ook schreef: “Een mond is muiten”. Zwijgen is kollaboreren. Deleu ziet dan ook door de tijdelijke verenigingen heen, partijen, lobbies, kerken, fanfares, voetbalploegen. Kultuurflaminganten zijn overal, als een virus, niet alleen bij Vermeylen of Fayat, maar ook bij de kristendemokraten – André Demedts, zijn leermeester, voorop, bij liberalen, de Volksunie en groenen. En dan vergeet hij de kommunisten nog.
Zijn kritiek is dan ook vernietigend voor het politieke beleid. “Het is nodig”, zegt hij in Neerlandia, “Dat de overheid meer aandacht heeft voor verscheidenheid, voor de kulturele betekenis van taal, auteur, uitgeverij en boekhandel”. Een kanon, ja, dat wel, “maar aan onderwijs van de eigen literatuur wordt geen serieuze aandacht besteed”. De kanon-boeken liggen al lang niet meer in de winkel, waar blijft die overheid ? Zorg ervoor dat ondernemende uitgevers de middelen krijgen om die kultuurschat wél “beschikbaar te houden, voor onderwijs en breed publiek”.
Dames en heren, als ik één parallel mag trekken, dan is het die tussen Jozef Deleu en Arkprijswinnaar 2009 Luk Huyse. Met toenemende ongerustheid en scherpzinnig inzicht zien zij de verloedering aan van het openbaar leven, het openbaar debat, en de demokratische grondrechten. Wat de kanon is voor Deleu, is de Wetstraat voor Huyse. In De Standaard schreef Huyse een bitter stuk over de “joernalistieke bijziendheid”. “Hun fiksatie op de Wetstraat is niet zonder risiko’s. Het pessimisme dat ze zo verspreiden, is besmettelijk. Het tast het vertrouwen van de burgers in de politiek aan en doet het geloof in populisten groeien. Geen wonder dat het goede nieuws uit Europa, uit de regio’s, uit grote en middelgrote steden en uit veel overheidsdiensten geen aandacht krijgt. Zo blijft het dansen op het slappe koord, op weg naar de anti-politiek”.
Jozef Deleu heeft langer moeten onderhandelen en doorbijten om van Ons Erfdeel en Nederlands Extra Muros speerpunten te maken van internationale weerstand tegen middelmaat, plat populisme, zelfgenoegzaamheid, de pleinvrees der kanunniken. Hij bezwoer mij niet zijn lof te zingen, hem naar het woord van Simon Carmiggelt “niet de poten van onder zijn stoel te prijzen”. Hij wou eerder een eerbetoon aan de stille kracht, zijn vrouw Annemarie. Namens allen hier, dank Annemarie. (applaus) En nu ik toch over sterke vrouwen praat, sta me toe ook even de verdiensten van de ons pas ontvallen Frie Leysen in herinnering te brengen. De Arkprijswinnares van 1991 – toen al ! – heeft even lang aan de weg getimmerd om de wereld binnen te halen in Antwerpen en zelf de vleugels verder uit te slaan.
Hier staat hij dan, Jozef Deleu, met een Arkprijs die hem in rechte al veel vroeger toekwam. De Oppergeus met maar één doel voor ogen: haal de protserige beeltenissen minabele politici omver, slecht de muren om ons heen, en laat de nieuwe wind vrijelijk waaien. Een wind van vrijheid, verstand en kritische zelfbeschouwing. VVK. Ik dank u.”

TOESPRAAK Hugo De Greef

Als voorzitter van de vzw Het Huis van Herman Teirlinck heet ik jullie van harte welkom: het Arkcomité, de gasten en niet in het minst de laureaat van dit jaar Jozef Deleu! 70 jaar geleden werd de Arkprijs voor het vrije woord opgericht. Door Herman Teirlinck en de redactie van het NVT. Teirlinck gaf zijn volle gewicht en cultureel maatschappelijk gezag aan het initiatief. Zijn naam blijft verbonden aan de Arkprijs. Hij woonde in dit huis. Zonder enige twijfel werden van hieruit heel wat Ark acties, ideeën, voorstellen, de mogelijke laureaten besproken.
Het Herman Teirlinck huis verwelkomt met open armen de uitreiking van de Arkprijs. Vanaf dit jaar, dat is de afspraak, zal deze bijzondere prijs hier uitgereikt worden. Wij zijn daar ontzettend blij mee. Het geeft het toekomstig verhaal van ons project kracht en verscherpt haar betekenis. Het ligt in het verlengde van onze visie bij het uitrollen van dit nieuwe verhaal.
Het is de 70st prijs. Het zijn coronatijden daarom geen uitreiking op de klassieke dag in mei en met een beperkt aantal gasten. En we ontvangen jullie op een werf. Maar wél, met een indrukwekkende laureaat. Zonder meer een memorabele editie!
Het huis is op dit ogenblik in restauratie, grondige restauratie. Toen we Gino Coorevits konden overtuigen om dit goed te kopen en met hem een erfpachtovereenkomst afsloten was het meteen duidelijk dat we het snel grondig moesten en wilden restaureren. Het goed, huis en tuin, werden in 2014 geklasseerd door de Vlaamse Regering, minister Bourgeois. Met de restauratie willen we het huis, daar waar mogelijk, in zijn oorspronkelijke staat terugbrengen.
(Dak/ gelijkvloers/ gevels. – Eerste verdieping: residentie. – Garage: niet oorspronkelijk. – Kleine presentatieruimte: voor culturele activiteiten. Onthaal van het erfgoed – Ook tuin en schrijversterras. – Tuin: natuurbeheer. Zichtlijnen en herstel. )
In november 2017 konden we de erfpachtovereenkomst met de eigenaar tekenen. We zijn nog geen drie jaar verder. In die korte tijd hebben we overheden, privé partners, sponsors, bestuurders, een hele reeks vrienden kunnen overtuigen om het project te steunen …. De financiering van aankoop, restauratie en nieuwbouw is rond.
Ik wil het Arkcomité, en hun sponsor Philippe Demahieu, danken om deze stap naar deze plek te zetten. Om het vertrouwen dat in onze vereniging wordt gesteld. Maar mag ik in het bijzonder Adriaan Raemdonck danken. Hij was de eerste die mij aansprak. Op zijn geëigende wijze. Haast tussen neus en lippen poneerde hij ‘zou het geen goed idee zijn dat’! Ik was al enthousiast nog voor hij uitgesproken was. Dank Adriaan. Jij was de gastheer met jouw De Zwarte Panter, jarenlang, met zo een heel persoonlijk touch. We nemen het over van jou. Dit is een eer, een verantwoordelijkheid en een opdracht.
Uit kwaadheid stichtten Herman Teirlinck en de redactie van het Nieuw Vlaams Tijdschrift toen de Arkprijs van het Vrije Woord. De Arkprijs als een daad van verzet.
In dit verzet willen we ons herkennen in het nieuwe HT verhaal. Vooral en in de eerste plaats om kunstenaars in alle vrijheid constant het woord, het vrije woord te geven.
Al zijn de omstandigheden bijzonder vandaag het gaat hem in de eerste plaats om de uitreiking van de Arkprijs 2020 aan Jozef Deleu. Dat Jozef Deleu de prijs krijgt geeft extra glans aan deze 70st editie.
In deze viering, de reden van jullie komst, zullen andere uitgebreider over de laureaat spreken. Maar alvast, ook van het Huis van Herman Teirlinck een welgemeende proficiat.
Wij willen de renovatie en de nieuwbouw klaar hebben tegen de uitreiking van de 71st Arkprijs in mei 2021. Alvast terug welkom volgend jaar!

TOESPRAAK Yves T’Sjoen

(tekst voorgebracht door Daniël Buyle)
Geachte genodigden, beste Ark-vrienden, Waarde Jozef,
De laureaat van de Arkprijs van het Vrije Woord 2020, zichzelf beschouwend als ‘citoyen de la frontière’, heeft al vele jaren zijn sporen verdiend. De zelftypering als grensbewonerverwijst naar de titel van een autobiografische lyrische prozatekst, die als sleuteltekst kan worden beschouwd van het literaire en beschouwende oeuvre. Jozef Deleu was de medestichter van en beheerde sinds de jaren vijftig belangrijke culturele instituties in Vlaanderen. Oprichter van het tijdschrift Ons Erfdeel (1957, thans de lage landen), later ook van Septentrion (1972) en periodieken zoals De Franse Nederlanden/Les Pays-Bas Français en The Low Countries. Daarnaast de geestelijke vader van de gelijknamige Vlaams-Nederlandse Stichting Ons Erfdeel.
Bekend zijn de cultuurpolitieke en taalactivistische standpunten van Jozef Deleu, aanvankelijk gericht op Nederlands-Vlaamse integratie, maar al geruime tijd met nadruk op de dynamische ontwikkeling van het culturele en intellectuele leven in Vlaanderen. In de strijd voor het Nederlands, onder andere op universitair niveau, grijp ik als neerlandicus graag terug naar essays en toespraken van onze gevierde. Van Deleu is bekend dat hij een flamboyant, welbespraakt en betrokken cultuurpoliticus is die zich openlijk distantieert van bekrompen, mediocre denkwijzen en een streng afgelijnd, soms enggeestig Vlaams-nationalistisch cultuurflamingantisme. ‘Flandrocraten en yuppies’ én het ‘vlaamskiljonisme’ krijgen zijn banbliksems. Bekende titels uit Deleus essayistisch oeuvre zijn De pleinvrees der kanunniken (1985) en Een beetje Columbus zijn (1989). In de aanloop naar deze coronaproof viering van Jozef Deleu heb ik ze weer gelezen, de veelal als fraai verzorgde brochure aangeboden essays die mij in de jaren negentig en later door de schrijver genereus zijn toegestuurd. Altijd voorzien van een vriendschappelijke, met de hand geschreven opdracht, naar aanleiding van een viering of een plechtige toespraak.
Deleu ijvert al lang voor ‘waarden als het vrije woord of de waardigheid van ieder mens om zichzelf te blijven’ (zoals door Filip Rogiers opgetekend in Monologen met Jozef Deleu). In 2017 verscheen een keuze van vier opstellen in Hoe Vlaming te zijn? Zes teksten van August Vermeylen/Jozef Deleu. Veel hebben de meeste essays en redevoeringen (helaas, voeg ik er hier aan toe) niet ingeboet aan actualiteitswaarde, hoewel de maatschappelijke en politieke context van Vlaanderen in veertig jaar aanzienlijk is gewijzigd. De auteur liet in 1993 noteren in de monologenbundel: ‘Mijn ideeën ten aanzien van de culturele emancipatie van Vlaanderen zijn in de loop van de jaren wel geëvolueerd, maar niet fundamenteel gewijzigd’.
Een kwarteeuw later zegt hij wellicht nog net hetzelfde. De oproep voor een “kritisch reveil” en het doemdenken over aberraties van massacultuur en infotainment blijven overeind. In de lijn van zijn grote voorganger en cultuurpolitieke inspirator August Vermeylen, schrijver van beroemde opstellen zoals ‘Kritiek der Vlaamse Beweging’ en ‘Vlaamse en Europese Beweging’ in Van Nu en Straks, bepleit Deleu vandaag nog steeds een open geest en een pluralistisch intellectueel debat. Deleu blijft, zoals in 1985, op zijn geheel eigen wijze – niet moraliserend maar ferm, gepassioneerd en overtuigd – waarschuwen voor ‘zelfgenoegzaamheid en bekrompenheid’, ziekten van alle tijden. Het spreekt vanzelf dat een dergelijk uitgesproken visie, het geloof in het vrije woord en een vastberaden rol in het sociaal-culturele debat, de aanleiding is voor de toekenning van de Arkprijs van het Vrije Woord. Deleu is niet alleen cultuurflamingant, taalactivist en tijdschriftredacteur.
Hij is daarenboven prozaïst en dichter van overwegend intimistische poëzie. De vorig jaar verschenen verzamelbundel Ondoorgrond. Gedichten 1963-2019 biedt een overzicht van Deleu als literaire persoonlijkheid. Al veel eerder dan dit met zorg verzameld dichtwerk verscheen een selectie uit Deleus geschriften bestaande uit lyrisch proza, gedichten en cultuurpolitieke opstellen. Voor de uitgave Het gaat voorbij. Poëzie, lyrisch proza, redevoeringen (2007) heeft Dirk de Geest een selectie uit teksten van verschillende genres gemaakt. Vermeldenswaard zijn voorts, waaruit hier eerder geciteerd, Monologen met Jozef Deleu (samengesteld door Filip Rogiers) en de monografie die mijn geestelijke mentor Anne Marie Musschoot in de VWS-cahiers aan het literaire werk en de cultuurpolitieke visie van Jozef Deleu heeft gewijd. In die verzamelde beschouwingen wordt onze laureaat meermaals getypeerd als ‘vrijmoedige, provocerende en bevlogen cultuurpoliticus’, die als alter ego optreedt voor een naar stilte en inkeer zoekende schrijver. De poëziebundel Onbeschut (2009), met korte en eenvoudige maar vooral weerbare en levenslustige miniatuurgedichten over leven en vergankelijkheid, stilte en vergetelheid, kan als exemplarisch gelden voor Deleus introspectieve dichterlijke stem. Een ingetogen en existentieel noodzakelijke literaire tegenstem voor de niet om een publieke uitspraak verlegen stem.
In het voorwoord van Carl de Strycker in de verzamelbundelOndoorgrond staat dat wanneer Deleu spreekt wordt geluisterd. Tot vandaag laat Deleu zich opmerken in de media, dit jaar nog naar aanleiding van de sluiting van het Guido Gezellemuseum in Brugge. Dichter, prozaïst, cultuurpoliticus, tijdschriftredacteur, bloemlezer, opiniemaker. Nadat hij als afgevaardigd bestuurder en hoofdredacteur van Ons Erfdeel een stap opzij zette, en door Luc Devoldere is vervangen (op zijn beurt weer opgevolgd door Hendrik Tratsaert), is Jozef Deleu in 2003 begonnen met heel bijzonder initiatief dat een verrijking is voor het hedendaagse Nederlandstalige literatuurlandschap. Twee keer per jaar presenteert hij als enige redacteur van het poëzietijdschrift Het Liegend Konijn een (al dan niet thematische) waaier aan nieuw werk van zowel gevestigde als debuterende dichters in Nederland en Vlaanderen. Het Konijn is thans toe aan de achttiende jaargang, in totaal duizenden pagina’s met Nederlandstalige poëzie ‘uit het nest geroofd’ (de uitdrukking is van Karel Jonckheere). Vorig academisch jaar heeft een student van de Universiteit Gent, met de genereuze hulp van Jozef Deleu zelf en op basis van het archiefmateriaal, een knappe masterscriptie voorgelegd.
Tegelijk riep de onvermoeibare Jozef, cultureel ondernemer pur sang, een debuutprijs in het leven, naar het periodiek genoemd en vijf jaren achtereenvolgens uitgereikt. Vandaag bestaat de literaire prijs helaas niet meer. Het minste dat je kunt zeggen, is dat onze laureaat de Nederlandstalige poëzieproductie op de voet volgt en zich laat leiden door verwondering, nieuwsgierigheid, lyrische gulzigheid. In Het Liegend Konijn, intussen door verschillende uitgeverijen onderdak gegeven, presenteert hij persoonlijke esthetische voorkeuren in de hedendaagse lyriek. De blik is ruim, de aandacht genereus, de smaak geschakeerd. Daarenboven kreeg hij na zijn aftreden als hoofdredacteur in Ons Erfdeel, sinds kort dus de lage landen, meermaals de gelegenheid een kleine poëziebloemlezing uit recente bundels te presenteren. De selectie wordt gepresenteerd in een rubriek met de binnen-rijmende titel ‘De keuze van Jozef Deleu’.
De literair-culturele gezaghebbende positie, of beter gezegd het cultuur-morele gezag, kan moeilijk worden geringschat. De eerste prijs voor Vlaams-Nederlandse Culturele Samenwerking die hij samen met Jeroen Brouwers in juni 2009 uit handen van de toenmalige Vlaamse minister van cultuur Bert Anciaux mocht ontvangen, zegt iets over de renommee van de Arkprijswinnaar. Bij wijze van slotakkoord refereer ik graag aan Jeroen Brouwers’ retorisch geprononceerde appreciatie voor de idealistische cultuur- en taalactivist. Straks lezen we allen weer het eerbetoon dat als boekje verscheen met de titel De rode telefoon (1997). Brouwers roemt Deleu, het orakel van het grensdorp Rekkem, de strijder die niét met de voeten vooruit maar met beredeneerde initiatieven en uitspraken, als gezaghebbende stem deelneemt aan het publieke debat. Namens de leden van het Ark-comité maakik Jozef mijn hartelijke gelukwensen over. De naam van deze laureaat staat voor altijd in de Ark gegrift, zoals het ritueel het voorschrijft, naast negenenzestig anderen. Wij zijn als comité bijzonder trots dat we grensganger Jozef Deleu voortaan tot de uitgelezen galerij van Ark-laureaten mogen rekenen. Dat we deze erkentelijkheid mogen uitspreken in het huis van Herman Teirlinck, stichter van het Nieuw Vlaams Tijdschrift en van de Arkprijs van het Vrije Woord, maakt deze zeventigste prijsuitreiking tot een memorabele gebeurtenis.
Ik dank u zeer.

DANKWOORD Jozef Deleu 

Vriendinnen en Vrienden van de Arkprijs van het Vrije Woord,
Ik wil u danken met een gedicht . Het draagt als titel NALATENSCHAP:

sporen
van nalatenschap
schuiven
geruisloos
over elkaar

niet overhaast
maar traag
wordt gisteren
vandaag
straks morgen

wat wij deden
of nalieten te doen
wat wij opbouwden
of bestreden
was openbaar

van verlies
was er geen sprake
op winst werd
nooit gehoopt –
niets ging verloren

Geachte leden van het Arkcomité, ik ben zeer vereerd met deze prijs. Vrijmoedigheid en ongebondenheid liggen me nauw aan het hart. Ze zijn belangrijker dan ooit. Ik dank allen die in de jubileumeditie van deze 70ste ARKPRIJS met zoveel waardering over mijn werk hebben geschreven. Een hartelijk woord van dank aan redacteur Lukas de Vos. Ook oprecht dank aan gastvrouw Sigrid Bousset die deze bijeenkomst heeft georganiseerd.
Tenslotte dank ik mijn vrouw Annemarie, mijn kinderen en kleinzonen. Het is niet evident samen te leven met een man die rusteloos in het leven staat. Deze Arkprijs van het Vrije Woord is ook hun prijs.
Jozef Deleu, Beersel, 3 oktober 2020.